beagle puppies te koop


Geschiedenis van de Beagle

 

De Beagle is een brak van Britse herkomst. Brakken behoren tot de zogenaamde lopende honden: jachthonden die met hun fijne neus het wild opsporen voor de jagers. Net als de benaming 'briquet' in Frankrijk, werd de aanduiding 'Beagle' in Engeland lange tijd gebruikt voor honden die niet tot een vastgesteld ras behoorden en wat hun uiterlijk betreft onderling vaak niet erg uniform waren maar wel bepaalde overeenkomsten vertoonden.

 

Ze waren meestal niet erg groot, wat verklaart hoe de rasnaam 'Beagle' tot stand kwam. Volgens taalwetenschappers zou de naam kunnen zijn afgeleid van het Oudengelse woord 'begle', van het Oudfranse 'beigle' of van het Keltische 'beag' (deze woorden betekenen alle drie 'klein').

 

De honden bezaten bijzondere aanleg voor de hazenjacht, waarbij de jagers te voet gingen, een jachtvorm die vroeger veel en graag werd beoefend door de Britse adel. De moderne vorm van 'beagling' bestaat uit het meelopen achter een meute Beagles, waarbij het erom gaat te genieten van een groep werkende honden. Deze vorm van sport is behalve in Groot-Brittannië, ook in Ierland en de Verenigde Staten erg populair.

 

Beagle pup

 

Volgens Dr. Jacques Bourdon, de schrijver van een meesterwerk over deze jachthond, zou de naam 'Beagle' voor het eerst zijn gebruikt in het begin van de 15e eeuw en wel door Edward, de tweede Hertog van York. Deze schreef in 1406-1413 een verhandeling over de jacht, genaamd The Master of Game, die was geïnspireerd op het boek Le Livre de Chasse van zijn beroemde Franse tijdgenoot graaf Gaston Ill de Foix et de Beam (Gaston Phebus).

Ook Dame Juliana Berners, priores van Sopwell, noemt de Beagle in haar Book of St Albans, een bestseller uit het jaar 1486.

 

Er zijn echter Britse schrijvers die menen dat de Beagle van veel oudere herkomst is. Zij verwijzen naar de Griekse Oudheid, met name naar Xenophon van Athene, die rond 400 jaar v. Chr. in zijn Cynegeticos inderdaad 'kleine jachthonden' noemt die 'de haas op het spoor volgen'.

Deze honden beschrijft hij als 'sterk, gespierd, met een brede borst en krachtige benen, een vlak hoofd en een brede schedel, en met zwarte, iets uitpuilende ogen die een levendige en guitige uitdrukking hebben'. Deze beschrijving wijkt niet erg of van het beeld van de tegenwoordige Beagle. Het zou inderdaad zo kunnen zijn dat hij afstamt van een van de oorspronkelijke braktypen, die verspreid in Griekenland en Klein-Azië leefden en door de Romeinse legioenen werden meegenomen op hun veroveringstochten door Europa.

 

Andere deskundigen houden er een afwijkende mening op na. Zo menen sommigen dat de Beagle gewoon een dwergvariëteit is, die afstamt van de brakken die Willem de Veroveraar in de 11 e eeuw vanuit Frankrijk meenam naar Engeland. Deze brakken zouden aan de wieg hebben gestaan van drie hoofdgroepen van jachthonden die tot in de 17e eeuw bekend waren: de Northern Hound (jachthond met een geweldig uithoudingsvermogen), de Southern Hound (met een erg fijne neus en een fraaie stem) en de Talbot (een grote hond met een witte vacht, een bloedhond', dus een hond die gespecialiseerd is in het volgen van een bloedspoor).

 

Beagle pup

 

Volgens weer anderen zou de Beagle echter afkomstig zijn uit Zuid-Frankrijk en zou hij pas in Engeland terecht zijn gekomen in de 15e eeuw, door de Honderdjarige Oorlog. Het zal duidelijk zijn dat het geheim van de herkomst van de Beagle niet zo gemakkelijk kan worden opgelost, omdat echte gegevens ontbreken. Weliswaar is er veel bekend, maar naar veel moet toch nog worden gegist. Wat het bovendien nog ingewikkelder maakt is het feit dat de Franse, Engelse en Schotse koningen elkaar over en weer voortdurend hele meutes cadeau deden.

 

Hoe dan ook, in de 16e eeuw begonnen de Beagles zich echt over heel Engeland te verspreiden. Koning Hendrik VIII was in het bezit van 'a pack of Beagles and greyhounds for coursing' en zijn dochter, koningin Elizabeth I had een beroemde meute in haar bezit. Deze hondjes hadden een schouderhoogte van minder dan 25 cm. Sommige waren zo klein, dat ze gemakkelijk in een ijzeren handschoen pasten. De ruiters vervoerden soms hele meutes in hun zadeltassen of in de zakken van hun jachtjassen, naar de plaats waar de jacht zou beginnen. Deze dwerggroei - die door sommigen erg op prijs werd gesteld en ook aan modestromingen onderhevig was - was het resultaat van selectie: het over meerdere generaties uitkiezen van het geschiktste 'fokmateriaal'. Bij de Beagles van toen ontstonden op die manier allerlei grootten. Zo waren er Pocket Beagles (die konden in een deel van een kledingstuk worden meegedragen), Glove Beagles (die zo klein waren dat ze in een handschoen pasten), Rabbit Beagles (konijnenjagers), Dwarf Beagles (dwergBeagles) en Elizabeth Beagles (vernoemd naar de koningin).

 

Beagle

 

Tegen het eind van de 17e eeuw waren er drie variëteiten: de Kerry Beagles of Southern Beagles, die een zwart-witte vacht hadden en een schouderhoogte van ongeveer 45 cm, de Northern Beagles, een middenslag dat sneller is dan de Southern Beagles en de Cat Beagles of konijneBeagles, die een schouderhoogte hadden van minder dan 35 cm. Deze laatste waren erg actief, hadden een prachtige hals (stem) waardoor ze ook wel 'singing Beagles' werden genoemd, en een witte vacht met zwarte of grijze spikkels, of wildkleurige, oranje of zwarte vlekken. Het ras was echter nog lang niet als zodanig vastgelegd in een zekere gelijkmatigheid, en tot aan het eind van de 19e eeuw verschilden de meutes onderling nogal van elkaar. Daarvan getuigen ontelbare illustraties uit die tijd en ook de uitspraak van de Engelsman W. Macfie, jachtmeester van de Royal Rock-meute: 'Als ik honden koop, ondervind ik grote moeilijkheden om jachtBeagles van een goed type te vinden. In elke meute wordt blijk gegeven dat men over Beagles er andere ideeën op na houdt. Sommige honden hebben een hoofd en oren als een Foxterriër, andere lijken meer op kleine doggen en weer andere zien eruit als kleine Foxhounds.'

 

Beagles waren jachthonden, werkhonden dus, en werkhonden werden in die tijd alleen gefokt op eigenschappen zoals werklust, gezondheid, geschiktheid voor de jacht, snelheid, doorzettingsvermogen, vasthoudendheid en moed. Tegelijkertijd werd gefokt op een zekere mate van soberheid. Honden mochten voor wat betreft hun voedsel niet te veeleisend zijn, want het onderhouden van een meute was altijd een kostbare zaak. Het was dan ook logisch dat vaak zogenaamde gebruikskruisingen werden ondernomen in een poging een bepaald soort hond te fokken, waarvoor heel wat 'recepten' van individuele jagers en fokkers bestonden.

 

Volwassen Beagle

 

De eerste pogingen om enige gelijkmatigheid tussen de Beagles onderling te krijgen, dateren uit het midden van de 19e eeuw. Twee instanties hielden zich hiermee bezig. Ze werden in het leven geroepen om de belangen van het ras te behartigen, maar al gauw bleek onenigheid te bestaan over de achtergrondgedachte van het fokken zelf. De Beagle Club, opgericht in 1890, telde onder de leden allerlei hondenliefhebbers die zowel Beagles voor de jacht hadden als Beagles als gezelschapsdier hadden.

 

In 1891 werd een speciale vereniging opgericht, die alleen leden toeliet die in het bezit waren van een meute Beagles die zelf regelmatig de lange jacht op hazen bedreven. Tussen de twee typen die men nastreefde, bestonden grote verschillen en ook nu nog is de invloed van de twee Britse richtingen duidelijk merkbaar in het type van de Beagle.

 

In 1896 vond de eerste, door de Britse Club georganiseerde tentoonstelling plaats. De rasstandaard was toen al opgesteld. Andere tentoonstellingen volgden, iedere keer met groot succes, vooral die van Richmond en die in het Crystal Palace in Londen.

 

Beagle

 

In 1900 bestonden in Groot-Brittannië ongeveer 60 Beaglemeutes, met honden waarvan slechts ongeveer de helft een correct type en schouderhoogte had. Maar tien jaar later bleek er toch al veel meer uniformiteit te zijn, getuige het commentaar van F.B. Lord, een jager en belangrijk fokker uit die tijd: 'Het type werd helaas verwaarloosd, totdat de Beagle Club de zaken in de hand nam. Sedertdien zijn jaar na jaar positieve resultaten geboekt, in die zin dat zowel het type als de werkkwaliteit van de honden verbeterden. Nu behoort het tot de uitzonderingen als een slechte Beagle op een tentoonstelling uitkomt. Vroeger zag ik het nut van hondententoonstellingen niet zo in, maar nu vind ik toch dat ze tot de verbetering van een ras kunnen bijdragen.'

 

Het vastleggen van de gewenste positieve kenmerken heeft er echter toe geleid dat de Beagle Elizabeth en de Pocket Beagle in 1935 waren verdwenen.

In het begin van de 20e eeuw maakte de fokkerij van Beagles in Groot-Brittannië een grote bloei door, die weliswaar bijna teniet werd gedaan door de Eerste Wereldoorlog. Toen in 1920 weer hondententoonstellingen werden georganiseerd, was de Beagle een zeer zeldzame verschijning op die evenementen. Dankzij het stug volhouden en de toewijding van een aantal liefhebbers. bracht de fokkerij echter binnen een paar jaar weer kwaliteitsvolle honden voort. Toen dreigde de Tweede Wereldoorlog inbreuk te maken op het reilen en zeilen van het ras. Maar de fokkers waren gewaarschuwd en aarzelden niet om Amerikaanse honden te importeren, die met honden uit het Britse bestand werden gekruist. Daardoor werd de nieuwe beproeving goed doorstaan en misschien is het ras er wel door versterkt. Cijfermatig is dat in ieder geval wel gebeurd: in 1945 werd er slechts 1 Beagle door de Britse Kennel Club ingeschreven, maar in 1955 waren dat er al 100, in 1958 635, in 1959 1092 en in 1959 3979.

 

Beagle

 

Net als in de 19e eeuw bestaan er in Groot-Brittannië nog altijd twee typen: de tentoonstellings Beagles, die ook voor dat doel worden gefokt, en de Beagles waarmee wordt gejaagd. Deze worden gefokt binnen het kader van meutes en worden geselecteerd op hun geschiktheid voor het werk dat ze moeten verrichten (beagling), en niet zozeer op uiterlijk schoon zoals de rasstandaard het voorschrijft.

 

bron: mijn hond, mijn vriend